De 'Zonen van Jafeth'-tetralogie

Zonder schepen geen slavenhandel. Het overkoepelende symbool van de tetralogie is het schilderij van Willem van de Velde de Jonge (1633-1707): Het Kanonschot (ca. 1680). Het origineel hangt in de Eregalerij van het Rijksmuseum in Amsterdam.

De overkoepelende titel ‘Zonen van Jafeth’ omvat een reeks van vier romans over de Hollanders en hun aandeel in de slavenhandel in de 17de eeuw. Vier aangrijpende, los van elkaar staande verhalen tonen een gedetailleerd beeld van het wereldomvattende verschijnsel van deze mensonterende commercie, massaal in praktijk gebracht door Europeanen, Afrikanen, Turken, Moren en Arabieren.

 

De Hollanders speelden een belangrijke rol in de Trans-Atlantische slavenhandel. Met name de West-Indische Compagnie was tussen grofweg 1660 en 1700 de grootste leverancier aan de Spaanse koloniën in Amerika. Dat neemt niet weg dat zwarte slaven ergens vandaan moesten komen. De Portugese, Hollandse en Engelse factorijen aan de West-Afrikaanse kust konden alleen maar floreren omdat er een gestage aanvoer was vanuit het binnenland. In die zin waren de Afrikanen zelf de allergrootste slavenhandelaren op het wereldtoneel; zij bepaalden immers het aanbod en ‘verkochten’ zowel aan Europeanen (Trans-Atlantisch) als aan Arabieren en Turken (Trans-Sahara).

 

Slaven waren niet alleen zwart. De grootste angst van passagiers op Europese schepen in die tijd was het gevaar van op de loer liggende Barbarijse kapers. De meest recente schattingen gaan ervan uit, dat tussen de 16de en 19de eeuw zo’n 1,2 miljoen West-Europeanen, waaronder een onbekend aantal Hollanders, zijn beland op de immense slavenmarkten in Noord-Afrika. Onderwijl roofden de Turken (Ottomanen) nog eens 2,5 miljoen mensen uit Oost-Europa.

 

Een ander minder bekend feit is dat de Hollanders (lees: de VOC) al in het eerste kwart van de 17de eeuw massaal gebruik maakten van slaven uit Azië voor de plantages in de Indonesische archipel. Ten koste van de oorspronkelijke inwoners werden hele eilanden veroverd en ontvolkt.

 

In elk van de vier boeken wordt een facet van die deplorabele handel onder de loep genomen: In West-Afrika (Kroesvee), in Algiers (In Barbarije), het Caraïbisch gebied (Asiento) en Indonesië (Banda Neira).

 

Waarom 'Zonen van Jafeth'?

De dronkenschap van Noach, door Giovanni Bellini. Links Cham, in het midden Sem en rechts Jafeth.

 

Zonen van Jafeth verwijst naar een van de zonen van Noach.

 

In  de tijd waarin de boekenreeks zich afspeelt werd Jafeth gezien als de stamvader der Europeanen (m.a.w.: de blanken). Het geloof in hun superioriteit ten opzichte van andere rassen werd 'gestaafd' door een verhaal in het Oude Testament (Genesis 9:18-29), waarin Noach dronken in slaap was gevallen. Jafeths broer Cham had zijn vader in die toestand aangetroffen en bespotte hem tegenover zijn broers. Jafeth en diens andere broer Sem bedekten hun vader met een mantel, zonder naar hun naakte vader te hebben gekeken. Jafeth en Sem werden voor deze daad door Noach gezegend, terwijl Cham en zijn nakomelingen werden vervloekt.

 

De Hollandse protestanten waren tot en met het begin van de 17e eeuw mordicus tegen slavernij. Toen echter de plantages in de Braziliaanse koloniën (veroverd op de Portugezen) om grote aantallen goedkope arbeidskrachten vroegen ging men probleemloos overstag, en rechtvaardiging in de Bijbel werd snel gevonden. 

De Coevoordense predikant Johan Picardt verwoordde dit in 1660 als volgt:

'Hierdoor voltrekt zich Noachs voorzegging, dat het Chamsgeslacht in knechtschap zal leven, het nageslacht van Sem in ballingschap en het nageslacht van Jafeth begenadigd is met voorspoed, macht en kennis. Hierin is de scheiding tussen de zwarten, de joden en de blanken verklaard.'

Bron: DBNL.

 

De moraal in die tijd werd al eeuwenlang bepaald door de kerk. De karakters in de boeken hebben dan ook geen scrupules ten aanzien van slavernij; zij zijn immers Zonen van Jafeth.