De kerk

Kroesvee gaat ook over de kerk (en speciaal de gereformeerd protestantse tak). Over haar invloed op de heersende moraal. Zeker bij de 'gewone man' - Jan Soldaat en de straatarme matroos op een WIC-schip - zal nooit de gedachte zijn opgekomen dat de handel in slaven immoreel was. Dat kon het in hun ogen ook niet zijn, want in 1687 had de protestantse kerk al meer dan een halve eeuw het credo verkondigd, dat de 'zwarten' vervloekt waren door aartsvader Noach, en voor eeuwig veroordeeld tot knechtschap (zie Zonen van Jafeth). Had bovendien niet de apostel Paulus zelf een bekeerde, weggelopen slaaf teruggestuurd naar diens meester, en dus in slavernij gehouden? De bijbel staat vol met verwijzingen naar en de ogenschijnlijke normaliteit van slavernij (zie de talrijke citaten in de 'kopstukjes' van het boek). Men hield de gemeenschap bovendien ook nog voor dat het transport van goddeloze Afrikanen naar een Christelijke cultuur (de koloniën in de West) in feite een goede daad was; gekerstende slaven werden zo bevrijd van hun heidense lotsbestemming: de hel. Veel cynischer kan het niet, als je hun latere leven op de plantages beschouwt. Maar gezien de ijzeren greep van de kerk in die tijd op moraliteit en wereldbeeld was er geen ruimte voor anders denken; de bijbel en de dominee hadden immers altijd gelijk. Aan het eind van de 17de eeuw waren al drie generaties onder die doctrine opgevoed.

 

Binnen de kerk zelf was kritiek op de slavenhandel slechts sporadisch aanwezig: dominee G. de Raad verweet de verdedigers van slavenhandel en slavernij al tamelijk vroeg (1665) dat hun argumentatie niet met de waarheid strookte: dat het niet alleen krijgsgevangenen en zware misdadigers waren die als slaaf verkocht werden, maar dat er in Afrika sprake was van mensenroof. Ook zijn collega J. Hondius (1679) wees kort en krachtig de mensenhandel en mensenroof af als strijdig met Gods wil en wet. Maar zij waren buitenbeentjes; pas in de tweede helft van de 18de eeuw begon de kritiek enige substantie te krijgen.

Bronnen: Georgius de Raad en zijn traktaat tegen de slavenhandelPredikanten, slavernij en slavenhandel, 1640-1740;  Nederlandse literatuur en slavernij ten tijde van de Verlichting

 

De slavernij werd in Nederland in 1863 officieel afgeschaft. De kerk heeft er daarna nog 150 jaar over gedaan om 'schuld' te erkennen. Een verklaring kwam er pas in 2013 door de gezamenlijke Raad van Kerken van Nederland:

 

"(...) We erkennen onze betrokkenheid in het verleden van afzonderlijke kerkleden en van kerkelijke verbanden bij het in stand houden en legitimeren van de slavenhandel. (...) Als kerken weten we ons deel van dit schuldig verleden en moeten we vaststellen dat theologie in bepaalde omstandigheden misbruikt is om de slavernij te rechtvaardigen. (...) We realiseren ons dat we te laat spreken, te weinig op het goede moment de goede inzichten hebben gehad en ons hebben laten leiden door misplaatst winstbejag en machtsmisbruik. (...) We erkennen nazaten van de slaven dat we veel leed hebben veroorzaakt."

 

Dat lijken mooie woorden, totdat je beter leest: het was dus niet de kerk als geheel die schuldig was, maar afzonderlijke gelovigen en geloofsrichtingen. Daar kon de kerk zelf natuurlijk ook niks aan doen. En we moeten het ook niet opvatten als een verontschuldiging, schrijft ene Klaas van de Kamp in een nawoord:

 

"Er is lang gediscussieerd over de vraag of er sprake zou moeten zijn van een schuldbelijdenis, het aanbieden van excuses, het zeggen van sorry. Uiteindelijk is er voor gekozen om dit soort woorden niet in de titel te zetten, maar het woord ‘schuld’ is wel in de tekst opgenomen; in vragende zin, maar dan wel als retorische vraag en als vraag die meer wil zijn dan een schuldbelijdenis. (...)"

 

Kortom: er is een hoop leed veroorzaakt - dat geeft men toe - maar de schuld wordt slechts in retorische zin bekend (dus niet echt), het is meer een vraag, en dat is niet genoeg om sorry te zeggen. De kerk doet niet aan mea culpa.